Joseph O’Connor werd in 1963 geboren in Dublin en groeide op in een cultureel geëngageerd gezin waarin literatuur, muziek en lezen een belangrijke rol speelden. Hij is de oudere broer van zangeres Sinéad O’Connor. Na enkele vroege romans brak hij internationaal door met Ster van de zee (2002), een omvangrijke historische roman over de Ierse hongersnood. Het boek werd in tientallen talen vertaald en markeerde een blijvende verschuiving in zijn oeuvre naar historisch gesitueerde fictie.
September 1943. Rome is bezet door Duitse troepen. Terwijl Gestapo‑officier Paul Hauptmann met harde hand jacht maakt op onderduikers en verzetscellen, vormt Vaticaanstad een fragiele enclave van neutraliteit midden in de stad. Vanuit dit kwetsbare machtsvacuüm zet priester Hugh O’Flaherty een discrete ontsnappingslijn op voor joodse burgers en geallieerde krijgsgevangenen. Samen met een kleine, onwaarschijnlijke groep helpers genaamd ‘Het Koor’ bouwt hij een netwerk dat draait op vertrouwen, timing en zwijgzaamheid. De Gestapo zit het netwerk steeds dichter op de hielen en wanneer de groep zich voorbereidt op een laatste operatie op kerstavond, wordt duidelijk hoe dun de scheidslijn is tussen redding en verraad…
De titel In het huis van mijn vader verwijst naar het Bijbelcitaat “In het huis van mijn Vader zijn vele kamers”, een uitspraak die symbool staat voor warmte, bescherming en een gevoel van thuishoren. Dit citaat is illustratief voor dit verhaal, waarin de Ierse priester Hugh O’Flaherty fungeert als de dirigent van “Het Koor”: een aanvankelijk geïmproviseerde maar uiterst effectieve verzetsgroep die tijdens de Duitse bezetting van Rome een geheime ontsnappingslijn opzet.
Die ontsnappingslijn wordt echter minder concreet uitgewerkt dan je op basis van het onderwerp zou verwachten. O’Connor positioneert de Rendimento (de naam van grote bevrijdingsoperatie waar Het Koor naartoe werkt) als dé grote plotlijn van het verhaal, maar houdt de uitvoering opvallend op afstand. De logistiek van de ontsnappingen, de gevaren onderweg en de directe gevolgen voor de onderduikers blijven grotendeels tussen de regels. Wie een tastbare uitwerking verwacht, leest vooral over een geruisloze morele daad die in de schaduw blijft.
Rome, sinds september 1943 bezet door nazi‑Duitsland, vormt het beeldende decor van dit verhaal. O’Connor weet de Italiaanse hoofdstad in een geheel ander licht te stellen… of eigenlijk juist het gebrek daaraan. Hij toont de schaduwkanten: de achterafstraten waar Gestapo‑informanten rondhangen, de kloosters en priesterwoningen waarin onderduikers verstopt zitten, de nervositeit die als een tweede huid over de stad ligt. Die atmosferische kracht is onmiskenbaar, maar ze werkt ook verhullend. De rijkdom aan beschrijving maakt het soms lastig grip te houden, waardoor het verhaal bij vlagen zijn gevoel voor richting verliest.
Zijn pen brengt het ongrijpbare tastbaar naar de oppervlakte. Zowel de architectuur als de innerlijke leefwereld van zijn personages worden met zo’n fijnzinnigheid beschreven dat je het onbehagen, de stilte en ook de hoop bijna kunt aanraken. O’Connor beschrijft niet alleen wat er gebeurt, hij laat je voelen wat er op het spel staat. Dat vermogen is misschien wel zijn grootste kracht.
Tegelijkertijd blijkt hier ook een beperking: O’Connor lijkt meer geïnteresseerd in hoe iets aanvoelt dan in wat er precies gebeurt. Dat werkt uitstekend voor sfeer en reflectie, maar maakt dat een climax telkens uitblijft. Een mankement dat vooral tot uiting komt wanneer de roman richting zijn centrale gebeurtenis – de Rendimento – beweegt.
O’Flaherty is een meesterlijk hoofdpersonage: iemand die rust en rationaliteit belichaamt en niet vervalt in theatrale heldhaftigheid. De Ierse priester is verrassend genoeg een boksfanaat en dat gegeven weerklinkt in zijn karakter: hij is gewend om lichtvoetig te bewegen, strategisch te denken en nooit eerder uit te halen dan nodig. Die principes zien we terug in de manier waarop hij opereert: altijd alert, altijd zoekend naar het juiste moment om toe te slaan en nooit zonder het grote plaatje uit het oog te verliezen.
Waar O’Flaherty gelaagd en innerlijk beweeglijk is, blijven de overige koorleden relatief vlak. De bijfiguren functioneren vooral als spiegels voor de Ierse priester en alhoewel zij wel een concrete functie dienen, maken zij zelden een eigen conflict of ontwikkeling door. In het huis van mijn vader voelt daardoor intiem, maar ook klein.
O’Flaherty’s tegenpool en tegenstander is Obersturmbannführer Paul Hauptmann. Waar O’Flaherty opereert met subtiliteit, empathie en geduld, gaat Hauptmann tekeer met bruut geweld, woede en paranoia. Hun ideologische tegenstelling weerspiegelt treffend de zenuwen en onderhuidse woede van de bezette stad. Toch draaien hun confrontaties grotendeels uit op een psychologisch schaakspel, waardoor ze zelden worden uitgespeeld in scènes die echt escaleren. Ook hier kiest O’Connor voor beheersing boven dramatische scherpte. In het huis van mijn vader kent daardoor geen explosieve spanningsboog.
Een van de interessantste keuzes is de manier waarop O’Connor O’Flaherty’s karakter toont via getuigenissen van andere leden van Het Koor, in latere BBC‑interviews. Die vorm geeft het verhaal reflectieve diepgang, maar resulteert ook in het feit dat het verhaal telkens blijft cirkelen rondom O’Flaherty. Daardoor blijven de onderduikers, het netwerk en hun offers grotendeels buiten beeld, terwijl daar juist de meest indringende verhalen schuilgaan.
Stilistisch staat In het huis van mijn vader haaks op hedendaagse thrillerconventies: geen korte hoofdstukken, geen aaneenschakeling van cliffhangers of continue actie. O’Connor drukt de pauzeknop in. De bladzijdes zijn lang en rijk gevuld, de dialogen schaars en vaak verklarend, de beschrijvingen zorgvuldig en beeldend. Zijn ritme dwingt de lezer te kijken, te voelen en te ademen in de wereld die hij schetst. Toch zwalkt het boek hier en daar. Spanningsbogen lossen op, scènes lopen uit en het verhaal wordt onvoldoende gedragen door een strak neergezet plot.
In het huis van mijn vader is dan ook meer een ingetogen karakterstudie dan een spannende, groots opgezette historische thriller. Het presenteert zich als een verhaal over een ondergrondse reddingslijn, maar blijkt in de kern vooral een beschouwend portret van de man die haar belichaamde.
O’Connor bewijst dat een groot auteur niet hoeft te schreeuwen om gehoord te worden. In Hugh O’Flaherty toont hij dat moed vaak ontstaat in stilte en schaduw, waar erkenning het kleinst is. Tegelijk laat deze roman zien dat diezelfde zorgvuldigheid en eerbied ook grenzen stellen. In het huis van mijn vader voelt uiteindelijk meer als een respectvol eerbetoon aan O’Flaherty dan als een meeslepende verbeelding van de vluchtlijn zelf.
Mijn naam is Jelle van de Kruijs. Met 2001 als geboortejaar ben ik een jeugdige thrillerliefhebber. Dankzij Schuilplaats van Harlan Coben ben ik het thrillergenre ingezogen. Coben is dan ook mijn favoriete auteur, op de voet gevolgd door Steve Cavanagh en Deon Meyer. Als recensent bij ThrillZone krijg ik de mogelijkheid om kennis te maken met nieuwe auteurs en tegelijkertijd mijn twee passies te combineren; lezen en schrijven.
Alle recensies van deze recensent
Schrijf jouw recensie!